watertorentekoop.nl · architectuur
architectuur van Nederlandse watertorens
Een zware constructie als architectonisch uitgangspunt. Een watertoren moest een reservoir met een groot gewicht op hoogte dragen.
Of zoek een toren op in het register.

De draagconstructie, het reservoir en de fundering bepaalden de technische opzet. Toch kregen veel torens een zorgvuldige architectonische uitwerking. Hun uiterlijk vertelt over de bouwperiode, beschikbare materialen en de verhouding tussen architect en ingenieur.

01
baksteen en historiserende vormen
In de negentiende eeuw werden veel torens uitgevoerd in baksteen. Metselwerk bood constructieve mogelijkheden en ruimte voor detaillering. Rondbogen, siermetselwerk en bekroningen sloten soms aan bij historische bouwstijlen. De gevel gaf een technisch gebouw een herkenbare plaats in het stadsbeeld.
Elke periode kreeg zijn eigen toren. Hieronder de stromingen zoals de RCE ze in de monumentomschrijvingen noemt, met voorbeelden uit het register. Neoclassicisme komt in die omschrijvingen van watertorens niet voor; de vroegste torens heten er eclectisch of neorenaissance.
1880–1910
eclecticisme en neorenaissance

De vroege torens lenen hun vormen uit de geschiedenis: rondbogen, speklagen, natuurstenen banden en een torenhelm als bekroning. Een stad die schoon water kreeg, liet dat zien met een toren die zich als stadspoort of kerktoren presenteerde. Het reservoir zit achter metselwerk dat bij de stad wilde horen.
“De 33 meter hoge, niet meer als zodanig in gebruik zijnde watertoren is gebouwd in de voor de bouwtijd karakteristieke stijl van het Eclecticisme met invloeden van de in opkomst zijnde Neo-Hollandse Renaissance.”
In het register: Dordrecht 1882, Vlissingen 1894, Zeist 1896, Baarn 1903, Krimpen aan de Lek 1909
1915–1935
Amsterdamse School

Hier wordt baksteen vorm. Schacht en reservoir lopen in één gebaar in elkaar over, met verticale lisenen, smalle vensterstroken en gebogen vlakken. In 16 van de RCE-omschrijvingen die we voor dit register ophaalden, valt de term Amsterdamse School.
“Bovendien behoort het gebouw tot een generatie watertorens, waarbij in toenemende mate is gestreefd naar het creëren van een optische eenheid tussen torenschacht en reservoirgedeelte.”
In het register: Utrecht, Moordrecht 1924, Wieringerwaard 1928, Kuinre 1933, Breda 1934
1920–1940
expressionisme

Zware steunberen, scherpe hoeken en gemetselde ribben die naar boven trekken. Gewapend beton droeg het gewicht; de bakstenen mantel kon daardoor uitdrukken wat de architect wilde. Bij Sangster werd dat een eigen handschrift.
“Doorgaans ontwierp Sangster in Art-Deco-stijl, doch deze watertoren is uitgevoerd in een expressionistische baksteenarchitectuur…”
In het register: Sint Philipsland 1925, Naaldwijk, Doorwerth, Waddinxveen 1940
1925–1940
Nieuwe Zakelijkheid
Strakke volumes, betonskelet in het zicht, glas waar het kan. De toren hoeft niets meer te verbergen. Het hoogtepunt is geen vrijstaande toren: bij sanatorium Zonnestraal in Hilversum steekt het reservoir boven het dak van het hoofdgebouw uit.
“De 40,5 meter hoge, geheel vrijstaande toren is gebouwd in een karakteristieke Interbellum-architectuur, waarin met name de invloed van de Nieuwe Zakelijkheid en het Expressionisme waarneembaar is.”
In het register: Hilversum, Zonnestraal 1927
1925–1955
Delftse School

Als reactie op het functionalisme kwam een traditionele bouwtrant terug: baksteen, zadeldaken, ambachtelijke details. De torens zijn sober, groot van maat en goed gebouwd.
“WATERTOREN in 1939-1941 gebouwd naar ontwerp van J. Gerber in een aan de Delftse School verwante stijl.”
In het register: Dirksland 1939–1941
1945–1970
wederopbouw

Na de oorlog werden verwoeste torens vervangen en kwamen er nieuwe bij voor de groeiende wijken. Beton in het zicht, glijbekisting, minder ornament. Het zijn de laatste torens: na de jaren zeventig is de bouwopdracht verdwenen.
“Vernieuwend is de uitgesproken soberheid en de toepassing van glijbekisting bij de bouw van de toren.”
In het register: Wageningen 1948, Vlaardingen 1955, Dokkum 1958
02
staal en gewapend beton
Nieuwe materialen maakten andere reservoirvormen en draagconstructies mogelijk. Stalen reservoirs konden op verschillende manieren worden ondersteund. Gewapend beton bood nieuwe mogelijkheden voor de schacht en het reservoir. De architectuur veranderde daardoor, maar oudere en nieuwe technieken bleven gedurende langere tijd naast elkaar bestaan.
Het reservoir bepaalt mede de vorm. Sommige reservoirs werden achter een gevel verborgen. Bij andere torens is de verbreding aan de bovenzijde direct verbonden met de vorm van het reservoir. Historische reservoirtypen, waaronder varianten die zijn genoemd naar de ingenieur Otto Intze, verdienen afzonderlijke technische toelichting. Een typeaanduiding wordt uitsluitend bij een specifieke toren vermeld wanneer de constructie is gedocumenteerd.
Geklonken ijzer en staal. De ijzeren en stalen reservoirs van de vroege torens zijn opgebouwd uit gebogen platen, verbonden met rijen klinknagels: de nagel ging gloeiend door het gat en werd aan de andere kant platgeslagen. Dezelfde techniek houdt de Eiffeltoren uit 1889 bij elkaar. In het reservoir zie je de naden en de nagelkoppen nog.
“Op het metselwerk van de schacht rust een open hangbodemreservoir van geklonken staalplaat met een inhoud van 241 m3.”


Intze. Otto Intze, hoogleraar in Aken, gaf het reservoir een bodem die de krachten zelf opvangt. De onderbouw kon slanker en de kop kon uitkragen: het silhouet dat je bij veel torens van rond 1900 herkent. H.P.N. Halbertsma paste het in Nederland als eerste toe.
“De kop van de toren bevat een uit geklonken ijzer vervaardigd waterreservoir van het type Intze I met een inhoud van 300 m3.”

Gewapend beton. Rond 1910 kwam gewapend beton beschikbaar. Een betonnen reservoir met vlakke bodem was eenvoudig te maken, en de draagconstructie kon een skelet worden met een gemetselde mantel eromheen. Bij Leerdam staan de afdrukken van de houten bekisting nog in het beton. Na de oorlog maakte de glijbekisting het mogelijk een schacht in één doorgaande gang omhoog te storten.

03
architect, ingenieur en opdrachtgever
Bij de bouw konden architecten, constructeurs en technische adviseurs verschillende verantwoordelijkheden hebben. Voor een betrouwbaar objectdossier moeten hun rollen afzonderlijk worden vermeld. Een naam uit een latere publicatie wordt niet zonder controle als ontwerper overgenomen.
Een aantal namen keert steeds terug. 9 architecten en ingenieurs ontwierpen volgens de dataset drie of meer torens.
| architect | aantal | torens |
|---|---|---|
| Jan Schotel | 11 (de RCE noemt er 16) | Gouda 1883, Gorinchem 1886, Sliedrecht 1886, Zwolle 1892, Breda 1893, Hengelo 1897, Overveen 1897, Woerden 1905, Zaltbommel 1905, Boskoop 1908, Den Helder 1908 |
| Hendrik Sangster | 9 | Dongen 1923, Etten-Leur 1924, Sint Philipsland 1925, Aalsmeer 1926, Zutphen 1927, Naaldwijk 1929, De Lichtmis 1932, Domburg 1933, Vriezenveen 1934 |
| Hidde Petrus Nicolaas Halbertsma | 4 | Meppel 1883, Delden 1894, Bussum 1897, Tilburg 1897 |
| Johannes Hendrik Jurgen Kording | 4 | Borne 1932, Eibergen 1935, Oost-Souburg 1939, Vlaardingen 1955 |
| N. Biezeveld | 4 | Monster 1886, Enschede 1890, Hellevoetsluis 1896, Rijswijk 1911 |
| Roelof Kuipers | 4 | Vianen 1909, Nieuwegein 1911, Barendrecht 1912, Wageningen 1948 |
| Adriaan Pieter Wesselman van Helmond | 3 | Oss 1951, Nes 1957, Sint-Jacobiparochie 1957 |
| F.A. de Jongh | 3 | Zwijndrecht 1897, Nijkerk 1898, Schoonhoven 1901 |
| Herman Friedrich Mertens | 3 | Bilthoven 1926, Soest 1931, Oude Pekela 1938 |
Aantal en toeschrijving volgens het architectveld in de RCE-dataset Watertorens (via Wikidata), gecontroleerd tegen de RCE-omschrijving waar die er is. Roelofarendsveen staat in Wikidata bij Sangster en de toren van Zaltbommel uit 1964 bij Schotel; die toeschrijvingen zijn niet overgenomen. Het aantal van Schotel komt uit de RCE-omschrijving van de toren van Gouda.





04
de toren in het landschap
De technische functie verklaart vaak de hoogte en locatie van de toren. Daardoor werd hij tevens een herkenningspunt. Historische kaarten en foto's kunnen laten zien hoe een toren zich oorspronkelijk verhield tot een pompstation, fabriek, spoorweg of stadsrand, en hoe die omgeving later veranderde.

Monumentale betekenis. Bij de waardering van gebouwd erfgoed kijkt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onder meer naar cultuurhistorische, architectuurhistorische en situationele waarden, gaafheid en herkenbaarheid, en wat de RCE ‘zeldzaamheidswaarde’ noemt. Bij watertorens kunnen ook reservoir, draagconstructie, leidingen en trappen belangrijk zijn. Monumentstatus en cultuurhistorische betekenis zijn afzonderlijke begrippen.
“zijn zeldzaamheidswaarde, aangezien de bouwopdracht 'watertoren' sinds de jaren '70 van de twintigste eeuw in ons land niet meer wordt verstrekt.”
Bronnen: RCE, Een toekomst voor watertorens (2013); Rijksmonumentenregister: 526400, 512096, 516156, 518188, 525002, 530878, 508342, 510273, 517626; RCE-dataset Watertorens (architectveld via Wikidata); Wikipedia NL: Eiffeltoren, Klinknagel, Otto Intze.
Beeld: Noord-Hollands Archief (CC0); Harry Pot / Anefo, Nationaal Archief (CC0); overige foto’s: redres.