watertorentekoopeen initiatief van redres.
menu

watertorentekoop.nl · geschiedenis

de geschiedenis van de Nederlandse watertoren

Een kraan opendraaien is tegenwoordig een alledaagse handeling. Toch ligt achter die vanzelfsprekendheid een lange geschiedenis van waterwinning, technische uitvindingen, gemeentelijke besluitvorming en investeringen.

naar de kaart

Of zoek een toren op in het register.

watertoren Hilversum
Hilversum · foto: redres. 2005

Eeuwenlang waren bewoners afhankelijk van regenwater, putten, pompen en oppervlaktewater. De beschikbaarheid en kwaliteit verschilden per plaats en seizoen. Vooral in dichtbevolkte steden vormde vervuild water een ernstig probleem.

prent van een vrouw die water haalt bij een straatpomp
Vrouw bij een pomp op straat, prent uit 1850–1879. Rijksmuseum RP-P-1909-2616 · CC0

01

toen water nog niet vanzelfsprekend uit de kraan kwam

vrouwen met emmers bij een pomp in een hofje
Water halen bij de pomp in het Gasthuishofje in Haarlem, begin twintigste eeuw. M.A. Jacobson, Noord-Hollands Archief · CC0

De negentiende eeuw bracht verandering. Steden groeiden en de aanleg van centrale waterleidingen werd technisch en financieel steeds beter uitvoerbaar. Water moest worden gewonnen, behandeld en over grote afstanden vervoerd. Daarbij ontstond de behoefte aan opslag en een bruikbare druk op het leidingnet. De watertoren werd voor veel waterleidingbedrijven een belangrijke voorziening.

02

watertorens bestonden al eerder

Het principe van een reservoir op hoogte is ouder dan de openbare drinkwaterleiding. Bij Paleis Soestdijk werd in 1680 een watertoren gebouwd om fonteinen van water te voorzien. De toren laat zien dat het opwekken van waterdruk met een hoogteverschil al lang bekend was. De precieze geschiedenis van dit gebouw wordt beschreven in het Rijksmonumentenregister en verdient een afzonderlijk artikel.

De vroege watertoren van Soestdijk

spoorwegwatertoren in de steigers
Herstel van de beschadigde watertoren bij het station van Zwolle, 1946–1947. D.C. Gerdessen (NS), Het Utrechts Archief · CC BY 4.0

Spoorwegen en fabrieken. Ook de spoorwegen gebruikten watertorens. Stoomlocomotieven hadden water nodig voor hun ketels en moesten onderweg worden bevoorraad. Bij stations en werkplaatsen ontstonden daarvoor pompinstallaties, reservoirs en vulpunten. In fabrieken was water nodig voor onder meer koeling, stoomproductie, reiniging en andere productieprocessen. De watertoren was dus nooit uitsluitend een gebouw van het drinkwaterbedrijf.

De eerste watertorens van het spoor kwamen er vanaf 1839: honderden kleine torens op stations om stoomlocomotieven te vullen. Vrijwel allemaal zijn ze afgebroken.

“De in oorsprong uit 1928 daterende spoorwegwatertoren naar ontwerp van S. van Ravesteyn vertegenwoordigt aanzienlijke zeldzaamheidswaarde als historisch en herkenbaar relict van het stoomtijdperk…”

Den Helder, 1856. De eerste toren in een drinkwaternet kwam in 1856 in Den Helder, in de duinen bij Huisduinen. Het reservoir was van gietijzer en had geen dak of ommanteling; in de winter moest de toren worden verwarmd om bevriezing te voorkomen. In 1908 werd hij gesloopt en vervangen door een nieuwe toren naar ontwerp van Jan Schotel. De oude toren was gebouwd op initiatief van de Koninklijke Marine en de gemeente Helder.

03

de opkomst van de openbare drinkwaterleiding

In 1853 kwam de Amsterdamse duinwaterleiding in gebruik. Dat was een belangrijk moment in de ontwikkeling van de Nederlandse drinkwatervoorziening. In de decennia daarna werden in steeds meer plaatsen waterleidingbedrijven opgericht en leidingnetten aangelegd. De ontwikkeling verliep regionaal verschillend, afhankelijk van waterbronnen, bevolkingsgroei, techniek en financiering.

stoommachines van de duinwaterleiding
Machines van de Duinwaterleiding bij Leiduin, stereofoto, 1860–1880. Rijksmuseum RP-F-F12060 · CC0

Amsterdam, 1853. Plannen voor een Amsterdamse waterleiding waren er vanaf ongeveer 1840, maar steeds strandden ze op het geld. Drinkwater was nog geen taak van de overheid. In 1851 richtte een groep rond C.D. Vaillant de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij op, met de schrijver Jacob van Lennep als voorzitter. De Nederlandse inschrijving liep slecht; Engelse financiers maakten de aanleg toch mogelijk. Eind 1851 begon het graafwerk; het water kwam uit de duinen bij Zandvoort. Op 6 juni 1853 sprong de eerste fontein bij de Haarlemmerpoort, en vanaf 12 december 1853 haalden Amsterdammers er duinwater voor een cent per emmer. Vanaf 1854 kwam het water via leidingen in huizen.

Het Amsterdamse net werkte zonder watertoren. Den Helder volgde in 1856 met de tweede waterleiding van het land, aangelegd om schepen van drinkwater te voorzien. In 1874 begonnen Den Haag en Rotterdam de eerste gemeentelijke waterleidingbedrijven. Rond 1900 hadden alle steden boven 10.000 inwoners een waterleiding; het platteland volgde pas later.

historische stadsplattegrond met waterleidingen
Plattegrond van Alkmaar met het buizennet van de duinwaterleiding, 1885. Regionaal Archief Alkmaar · CC0
prent van een vrouw bij een pomp in een stal
De pomp binnenshuis: stalinterieur met een vrouw bij de waterpomp, 1877–1890. Rijksmuseum RP-P-1906-4406 · CC0

Cholera en de vraag naar schoon water. In de negentiende eeuw werd Nederland herhaaldelijk getroffen door cholera. De ziekte kan zich verspreiden via water dat met de cholerabacterie is besmet. Naarmate de kennis over besmettingsroutes groeide, nam ook de aandacht voor veilige waterwinning, riolering en hygiëne toe. Schoon drinkwater was een belangrijk onderdeel van die ontwikkeling, naast andere verbeteringen in de openbare gezondheidszorg.

Tot ver in de negentiende eeuw kwam drinkwater uit putten, pompen, regenbakken en grachten. In de steden lagen beerputten en putten dicht bij elkaar, en afvalwater ging de gracht in. De Britse arts John Snow legde het verband tussen besmet water en cholera in 1849 en onderbouwde het in 1855 met een uitgebreid onderzoek.

10.108doden bij de eerste cholera-epidemie, 1832–1833
23.267doden in 1849
± 21.000doden in 1866
1.151doden in Amsterdam in 1866, met duinwater sinds 1853
man drinkt een glas water bij een jubileum
Honderd jaar duinwaterleiding, december 1953: ir. C. Biemond drinkt een glas water. Van Duinen / Anefo, Nationaal Archief · CC0

De eerste epidemie in Nederland, in 1832 en 1833, kostte 10.108 mensen het leven. In 1849 vielen 23.267 doden, in 1866 ongeveer 21.000. In dat laatste jaar bleek wat een waterleiding uitmaakte: Amsterdam, dat sinds 1853 duinwater kreeg, telde 1.151 doden. Utrecht, vier keer zo klein, telde er ruim 2.000.

De Woningwet en de gezonde stad. De Woningwet van 1901 trad in 1902 in werking en gaf gemeenten instrumenten om slechte woonomstandigheden aan te pakken. De wet past in dezelfde maatschappelijke ontwikkeling waarin ook de drinkwatervoorziening en de riolering meer aandacht kregen. De Woningwet was echter geen algemene wettelijke opdracht om watertorens te bouwen. De geschiedenis van waterleidingbedrijven heeft een eigen technisch en bestuurlijk verloop.

Woningwet en drinkwater

arbeiders leggen een waterleiding in een weiland
Een molploeg van Draka legt in 1953 bij Odijk een plastic waterleidingbuis zonder voorafgaand graafwerk. Joop van Bilsen / Anefo, Nationaal Archief · CC0

04

architectuur voor een technische voorziening

Watertorens moesten een groot gewicht op hoogte dragen. Die constructieve eis bepaalde de hoofdvorm, maar architecten en ingenieurs werkten haar op uiteenlopende manieren uit. In de negentiende eeuw verschenen bakstenen torens met historiserende details. Later boden staal en gewapend beton nieuwe mogelijkheden. Sommige ontwerpen verborgen het reservoir achter een zorgvuldig vormgegeven gevel; bij andere bepaalde de techniek het uiterlijk.

watertoren in aanbouw in steigers
De watertoren van Heemstede in aanbouw, 1910. Noord-Hollands Archief · CC0
watertoren Woerden, ontwerp Jan Schotel
Woerden, 1905, ontwerp Jan Schotel. foto: redres. 2008

Schotel en Woerden. Jan Schotel ontwierp tussen 1883 en 1911 zestien watertorens. De toren van Woerden is er een van. De gemeente besteedde hem op 4 mei 1905 aan, en in mei 1906 leverde aannemer Petrus Hochstenbach uit ’s-Hertogenbosch de toren op, samen met het machinegebouw en de machinistenwoning. Schotel zette de toren op een ravelijn van de oude vesting. Die lag al hoger dan het land eromheen, zodat de toren zelf lager en goedkoper kon blijven. Eind 1906 waren 461 percelen aangesloten.

Het ijzeren reservoir verdween bij de restauratie van 1986. De oorspronkelijke gietijzeren constructie onder het dak, waar het reservoir deel van uitmaakte, zit er nog, met geklonken verbindingen. Zonder reservoir kan die het dak niet meer alleen dragen; daarom staat er nu een stalen constructie onder. In 1976 en 1977 wilde de gemeenteraad de toren slopen, tot de historische vereniging en de bewoners de raad op andere gedachten brachten.

“Kenmerkend voor Schotel is de aandacht die hij besteedde aan vormgeving en detaillering van zijn ontwerpen, waarbij hij de heersende opvattingen en architectuurstromingen volgde.”

interieur van een geklonken ijzeren reservoir
Binnen in een Intze-reservoir: de watertoren van Boskoop, 1999. Gerard Dukker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC BY-SA 4.0

IJzer, Intze en beton. De vorm van een watertoren volgt voor een groot deel uit het reservoir. De eerste reservoirs waren van ijzer met een vlakke bodem, gedragen door zware balken of extra muren. Daarna kwam de hangbodem, die alleen aan de rand hoeft te rusten. Het Intze-reservoir, ontwikkeld door de Duitse ingenieur Otto Intze, bracht de waterlast zonder zijwaartse spanning op de draagring over. De onderbouw kon daardoor slank blijven en het reservoir ver uitkragen. Vanaf 1885 werd dat het herkenbare silhouet; H.P.N. Halbertsma paste het in Nederland als eerste toe. In Vlissingen kreeg de N.V. Vlissingsche Duinwaterleiding in 1894 een neorenaissance toren met een Intze-reservoir. Het reservoir van de toren aan de Lauwerhof in Utrecht (1896) is een Intze-reservoir van 1.500 m³.

arbeiders klinken stalen platen van een gashouder
Klinken van een gashouder aan het Spaarne in Haarlem, 1909. Ijzeren reservoirs van watertorens werden op dezelfde manier uit geklonken platen opgebouwd. Noord-Hollands Archief · CC0

“Het bolvormige, zwart geschilderde reservoir is vervaardigd van stalen platen, aaneengeklonken door rijen klinknagels.”

betonnen watertoren Leerdam uit 1929
Leerdam, 1929: gewapend beton. foto: redres. 2025

Rond 1910 kwam gewapend beton beschikbaar. Een betonnen reservoir met vlakke bodem was eenvoudig en goedkoop te maken, en architecten kregen er vrijheid mee: vaak zit een betonnen skelet binnen een gemetselde mantel die los van de constructie kon worden vormgegeven. De toren van Leerdam uit 1929 is van gewapend beton en droeg 500.000 liter. In Wieringerwaard (1928) staat een betonnen reservoir met vlakke bodem van 12 meter doorsnee.

Daarnaast bestaan minder gangbare vormen: het Barkhausen-reservoir, de kegel en de bol. De toren in Leur bij Wijchen uit 1960 heet in de volksmond de Paddenstoel: een betonnen toren van bijna 40 meter met een koepelvormig reservoir van ruim 20 meter doorsnee en 800 m³ inhoud, ontworpen door H. Brouwer en T.T. Deurvorst.

watertoren in aanbouw met bouwvakkers
Bouw van de watertoren van Hoorn, 1912. maker onbekend, via Wikimedia Commons · publiek domein

Hoe ze gebouwd werden. Een drinkwatertoren bestaat uit een onderbouw, een of meer reservoirs, een standpijp voor aan- en afvoer en voorzieningen om het water schoon te houden. De toren van Rotterdam uit 1873 had al vrijwel alle onderdelen die later standaard werden. Om bij het dak te komen loopt de trap buiten het reservoir om, of door een koker van 1 tot 2 meter doorsnee midden in het reservoir. IJzeren reservoirs krijgen een coating en kathodische bescherming tegen roest.

De Poldertoren in Emmeloord laat zien wat zo’n toren aan materiaal vraagt: 1.220 m³ beton, 185 ton wapeningsstaal, 600.000 bakstenen en 7.200 draineerbuizen. De bouw begon op 12 juni 1957 en de toren werd op 20 juni 1959 in gebruik genomen.

Bij betonnen torens is de bouwwijze vaak nog te zien. In Leerdam, in 1929 gebouwd door Visser & Smit, staan de afdrukken van de houten bekistingsplanken nog in het beton. De toren van Wieringerwaard (1928), uitgevoerd door de N.V. Bredasche Beton Maatschappij, heeft een twaalfhoekig skelet van twaalf binnen- en twaalf buitenkolommen, deels in het zicht en deels met baksteen bekleed. Een trap langs de kolommen leidt naar de vloer onder het dubbele reservoir van 600 en 400 m³, en een spiltrap loopt dwars door het midden van dat reservoir naar de zolder. Ook in de Vlissingse toren uit 1894 gaat de trap door het vat: een tank van 5 meter hoog en 9,5 meter doorsnee op een romp van 19 meter.

betonnen watertoren in aanbouw
Bouw van een betonnen watertoren in Amsterdam-Buitenveldert, 1964. Harry Pot / Anefo, Nationaal Archief · CC0
watertoren Roelofarendsveen met de rode tulpen
Roelofarendsveen, 1931. foto: redres. 2018

Een toren aanbesteden: Roelofarendsveen. In Roelofarendsveen haalden veel mensen rond 1930 hun water nog uit putten en sloten. In de droge zomer van 1929 moest de gemeente drinkwater per trein laten aanvoeren, en brak opnieuw tyfus uit. Eind 1930 richtten Alkemade, Leimuiden en Rijnsaterwoude samen een waterleidingbedrijf op. Voor het leidingnet en de toren leenden ze 300.000 gulden van de provincie Zuid-Holland.

Op de aanbesteding van de toren schreven twaalf aannemers in. De duurste inschrijving was 34.500 gulden, de goedkoopste 24.686: Beton- en Bouwbedrijf Tubantia uit Enschede, dat het werk kreeg. Het was crisis, en de voorwaarde was dat Tubantia arbeiders uit de drie gemeenten in dienst nam. De toren kreeg betonnen hoekkolommen met metselwerk ertussen, werd 31,5 meter hoog en kreeg een reservoir van 150 m³. Op 26 november 1931 ging hij officieel in gebruik. Sinds 1986 staat op elk van de vier gevels een rode tulp, voor de band tussen de toren en de bollenteelt in het dorp.

50 m³kleinste drinkwaterreservoir in deze reeks
1.850 m³Poldertoren, Emmeloord
65,30 mhoogste watertoren: de Poldertoren
18 mHeinenoord, een van de kleinste

Hoeveel water erin past. Het kleinste drinkwaterreservoir in deze reeks bevat 50 m³, ofwel 50.000 liter. Op het platteland was ongeveer 500 m³ gebruikelijk, met uitschieters naar zo’n 180 m³ in Doetinchem en Raalte. In de steden stonden reservoirs van 1.000 tot 1.500 m³. Meer is niet altijd veel: de toren aan de Haarlemmerweg in Amsterdam, 1.280 m³, is binnen vijf minuten leeg als de aanvoer stopt. Hij is berekend op de vier minuten die de noodstroom nodig heeft om de pompen weer te laten draaien.

Enkele voorbeelden: Breda Speelhuislaan 1.450 m³ (1.450.000 liter), Utrecht Lauwerhof 1.500 m³, Eindhoven drie bollen van elk 500 m³, en de Poldertoren in Emmeloord 1.850 m³: bijna twee miljoen liter.

Hoogste en kleinste. De hoogste watertoren van Nederland is de Poldertoren in Emmeloord: 65,30 meter, met windvaan 70,5 meter. Hij moest het centrum van de Noordoostpolder markeren en mocht geen kerktoren worden, omdat geen kerk boven de andere mocht uitsteken. Er hangt een carillon van 48 klokken. Sinds 2014 is de toren rijksmonument.

Aan de andere kant staat Heinenoord, aan de Sluisendijk in de Hoeksche Waard. De toren uit 1910 is 18 meter hoog en heeft een ijzeren vlakbodemreservoir van 50 m³. De RCE rekent hem tot de kleinste watertorens van Nederland.

watertoren Sint Philipsland uit 1925, ontwerp Hendrik Sangster
Sint Philipsland, 1925, ontwerp Hendrik Sangster. foto: redres. 2010

Hendrik Sangster. Hendrik Sangster (Semarang 1892 – Soestdijk 1971) studeerde in 1915 af als civiel ingenieur in Delft. Hij werkte voor een waterleidingmaatschappij en bouwde tot eind 1925 vooral watertorens in Noord-Brabant. Daarna begon hij een eigen bureau in Den Haag. Tussen 1924 en 1928 ontwierp hij negen torens die ook in het buitenland opvielen.

Sangster combineerde een betonnen draagconstructie met een bakstenen mantel en benutte, net als de architecten van de Amsterdamse School, wat je met metselwerk kunt vormen. Bij een aantal torens liet hij het betonskelet zien. De torens van Naaldwijk, Etten-Leur, Raamsdonksveer, Vriezenveen en Aalsmeer behoren tot zijn bekendste werk. Acht van zijn torens zijn in de Tweede Wereldoorlog verwoest. De toren van Sint Philipsland uit 1925 is ook van zijn hand.

05

het einde van de oorspronkelijke functie

Met elektrische pompen, geautomatiseerde drukregeling en andere opslagvoorzieningen nam de noodzaak van hooggelegen reservoirs af. Veel torens werden buiten bedrijf gesteld. Een deel verdween, terwijl andere gebouwen vanwege hun historische, technische en architectonische betekenis behouden bleven. De watertoren veranderde van een onderdeel van het nutsbedrijf in een vraagstuk van monumentenzorg en herbestemming.

beschadigde watertoren na de oorlog
De watertoren van Zutphen in 1945, doorzeefd met kogelgaten. De toren uit 1927 is van Hendrik Sangster. Anefo, Nationaal Archief · CC0

Pompen nemen het over. Pompen vullen het reservoir, de zwaartekracht doet de rest. De toren vangt pieken op, als iedereen tegelijk water tapt, en overbrugt korte storingen. Na de Tweede Wereldoorlog namen elektrische pompen die taak over. Daarmee verloren de meeste torens hun functie, en kwamen ze vrij voor wonen, werken en andere bestemmingen.

De laatste watertoren. In 1970 kreeg Eindhoven een nieuwe watertoren naar ontwerp van Wim Quist: drie bollen van elk 500 m³ op een hoogte van ruim 43 meter. De oudere toren aan de Willem Elsschotlaan, om de hoek, kon de groeiende vraag niet meer aan. Volgens de RCE is het de laatste watertoren die in Nederland werd gebouwd. De bollen staan op het terrein van Brabant Water aan de Antoon Coolenlaan in Stratum.

“…zijn zeldzaamheidswaarde, aangezien de bouwopdracht 'watertoren' sinds de jaren '70 van de twintigste eeuw in ons land niet meer wordt verstrekt.”

De RCE-dataset Watertorens telt 306 records. 4 daarvan zijn volgens de gekoppelde bronnen gesloopt; de overige 302 staan in het register, waarvan 129 als rijksmonument. Dat aantal is geen volledige telling van alle Nederlandse watertorens.

opblazen van een watertoren
De watertoren van Dalfsen wordt opgeblazen, 1965. Jack de Nijs / Anefo, Nationaal Archief · CC0

Bronnen: RCE, Een toekomst voor watertorens (2013); Rijksmonumentenregister 531294, watertoren Soestdijk; Wikipedia NL (Geschiedenis van leidingwater in Nederland, Cholera, Watertoren, Oude watertoren (Den Helder), Jan Schotel, Watertoren (Utrecht Lauwerhof), Poldertoren, Hendrik Sangster, Watertoren (Eindhoven Antoon Coolenlaan); CC BY-SA 4.0); Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening, Twee emmertjes water halen (1980); RCE: dataset Watertorens (CC-BY 4.0), Eindhoven – Watertoren en monument 525095, Heinenoord; Nederlandse Watertoren Stichting, watertorens.nl; Weekblad Wegwijs over de watertoren van Leur; watertorens.eu over Roelofarendsveen; bouwhistorische documentatie Woerden, Leerdam, Wieringerwaard, Vlissingen en Breda. RCE-citaten: Rijksmonumentenregister, monumenten 506153, 517626, 485963 en 530878.

Beeld: Rijksmuseum RP-P-1909-2616 (CC0); M.A. Jacobson, Noord-Hollands Archief (CC0); D.C. Gerdessen (NS), Het Utrechts Archief (CC BY 4.0); Rijksmuseum RP-F-F12060 (CC0); Regionaal Archief Alkmaar (CC0); Rijksmuseum RP-P-1906-4406 (CC0); Van Duinen / Anefo, Nationaal Archief (CC0); Joop van Bilsen / Anefo, Nationaal Archief (CC0); Noord-Hollands Archief (CC0); Gerard Dukker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (CC BY-SA 4.0); Noord-Hollands Archief (CC0); maker onbekend, via Wikimedia Commons (publiek domein); Harry Pot / Anefo, Nationaal Archief (CC0); Anefo, Nationaal Archief (CC0); Jack de Nijs / Anefo, Nationaal Archief (CC0); overige foto’s: redres.